Verwijdering


Israël was het ‘uitverkoren volk’. Zo voelden de Joden zich ook in Bijbelse tijd. Zelfs nog toen ze zich overgaven aan goddeloosheid zeiden ze: “Des Heeren tempel, des Heeren tempel!” (Jer. 7:4). Zo van: God is toch in ons midden? Wat kan ons dan overkomen?

   Jodengenoten   

Daartegenover beschouwden ze de andere volken als heidenen. Dat waren afgodendienaars, verlaters van God. Daarmee zou het vast slecht aflopen. Die mensen, die dus niet tot het eigen volk behoorden, werden (en worden) ‘gojim’ genoemd. Zo’n heiden kon wel tot het Joodse volk toetreden, maar daar zat nogal wat aan vast. Een man moest besneden worden, een vrouw moest allerlei reinigingsvoorschriften opvolgen. In het Nieuwe Testament worden zij ‘Jodengenoten’ (of in het Grieks: proselieten) genoemd. De Farizeeën deden veel moeite om mensen tot de Joodse godsdienst te bekeren. In Matt. 23:15 staat dat zij daarvoor zelfs “zee en land” afreisden…
In Hand. 6:5 lezen we bijvoorbeeld dat Nikoláüs, één van de zeven diakenen, zo’n proseliet was. Ook op het eerste Pinksterfeest (Hand. 2) waren Jodengenoten aanwezig.

   'Godvrezenden'   

Ook wordt in de Bijbel gesproken over ‘Godvrezenden’. En daar waren er veel méér van. Je leest dat van Cornelius, de hoofdman (Hand. 10), maar ook van Lydia (Hand. 16).
Maar wat voor mensen waren dat? Wel, deze hadden het heidendom vaarwel gezegd en aanbaden de ware God. Toch waren ze niet officieel tot het Jodendom overgegaan. Die stap vonden ze nog te groot!


► Prediking van Paulus (Schilderij Rafaël)

Als we even aan Lydia terugdenken: we lezen dat de Heere haar hart opende, zodat ze acht nam op de woorden van Paulus. ‘Meedoen’ met het dienen van God was dus niet genoeg. De Heilige Geest was nodig om haar tot de ware kennis te brengen van zichzelf, van God en van Christus.

   Joodse tegenstand   

Zo zie je dat er dus in Paulus’ tijd meerdere groepen mensen waren. En door de prediking van de apostelen zorgde de Heilige Geest voor steeds meer leden van de christelijke gemeente. In het begin was er nog niet zo’n duidelijke scheiding met het Jodendom. Immers, Jezus Zelf preekte in de synagoge. Ook de apostelen gingen na de opstanding van Jezus naar de tempel (Hand. 3). Van Paulus lezen we dat hij zelfs offers in de tempel bracht (Hand. 21). Hij wilde namelijk laten zien dat hij niets had tegen de regels van de Wet.

Maar de tegenstand van de Joden groeide met de dag. De apostelen werden al snel gevangen genomen, we lezen van de steniging van Stefanus. En van de wrede vervolging van de christenen door Saulus, tot in het buitenland toe! Het irriteerde de Joden geweldig wanneer ze hoorden dat ze niet door het houden van de Wet zalig konden worden. Maar dat er een volmaakte gehoorzaamheid nodig was. En die kon alléén opgebracht worden door de Messias, door Jezus Christus! Als je dus vraagt: was er antisemitisme in het Nieuwe Testament? Dan zou je zeggen: de vijandschap kwam juist van de ándere kant: van de Joden tégen de christenen. Het christendom werd genoemd: “een sekte, die overal tegengesproken wordt” (Hand. 28:22).

   Uit elkaar...   

Tijdens de opstand tegen de Romeinen (in het jaar 66) vluchtten de christenen, die daarmee niets te maken wilden hebben, uit Jeruzalem weg. Ook dat maakte ze niet populair bij de Joden. Vijfenzestig jaar later brak er een nieuwe opstand uit. Toen werd de rebellenleider Bar Kochba uitgeroepen als de Messias! Dat konden de christenen niet accepteren. Ze wilden hun Zaligmaker niet verloochenen. Een zware vervolging door de Joden was het gevolg.
Intussen was er aan een bekend synagogegebed (het Achttiengebed) een spreuk toegevoegd, waarin de ‘afvalligen’ (dus Joden die christen zijn geworden) worden vervloekt. Dit was ook een oorzaak van blijvende verwijdering tussen Joden en christenen.