Wet en overheid
Onze maatschappij is heel anders dan die in
de tijd van de Bijbel. In de periode van de aartsvaders kende men wel de
familiegroepen. Elke groep had een leider, die de regels vaststelde en de
beslissingen nam. Meestal waren dat groepen nomaden, die met hun vee
rondtrokken.
Koning
Later was het verschil tussen de ‘gewone man’ en de ‘edelen’ of ‘oudsten’ veel duidelijker. In Lev. 4 lezen we dat een “overste” een kostbaarder offer moest brengen dan iemand van het gewone volk.
Tot en met de tijd van de Richteren kende men nog geen echte organisatie in de samenleving. De stammen van Israël gingen vaak hun eigen gang; zelfs voerden ze soms oorlog tegen elkaar (Rich. 12 en 20).
Tenslotte riep men om een koning, zoals de omringende volken ook hadden. Samuël waarschuwde dat dit heel wat met zich mee ging brengen. Ook dingen die het volk niet leuk zou vinden (1 Sam. 8:10-18). Zoals een geldverslindende hofhouding en zware belastingen. In de tijd van Salomo is dat wel gebleken. In 1 Kon. 4 volgt een hele opsomming: er was een legerleider nodig, officieren, een lijfwacht, een secretaris en een minister van financiën.
Rechtspraak
Maar toch was er niet zo’n bestuurlijke organisatie als wij kennen. Men moest zich houden aan de wetten die door God waren ingesteld. Waren er conflicten tussen mensen onderling, dan moest er recht worden gesproken. Dat kon gebeuren in de stadspoort (zie b.v. Ruth 4) door de oudsten. Deze mochten in bepaalde gevallen zelfs de doodstraf uitspreken (Deut. 21:18-21). Bij moeilijke of godsdienstige zaken werden de priesters er bijgehaald. Of de koning, die helemaal het laatste woord had. Dat zien we bij Salomo, die recht sprak tussen twee vrouwen (1 Kon. 3:16-28).
► Rechtspraak van Salomo beeld: FreeBibleimages
Wie het erg bont had gemaakt kon zweepslagen verwachten. De Joden mochten het slachtoffer er maar 40 geven (Deut. 25:3). Voor de zekerheid stopten ze maar na de 39e, om niet ongemerkt de wet te overtreden. Paulus heeft deze straf nog aan den lijve ondervonden (2 Kor. 11:24).
Na de Oudtestamentische tijd ontstond een Joods college, het zogeheten ‘Sanhedrin’. Dit nam belangrijke beslissingen, vooral op godsdienstig gebied.
Romeinse tijd
In de periode van het Nieuwe Testament lag het wat ingewikkelder. De Joden werd, als ze maar niet tegen de Romeinse wet ingingen, weinig in de weg gelegd. Maar het kon wel eens ‘botsen’, zoals we weten uit het proces tegen Jezus.
Mensen met het Romeinse burgerrecht hadden bijzondere voorrechten. Ze mochten meedoen aan verkiezingen en zichzelf kandidaat stellen. Van bepaalde belastingen waren ze vrijgesteld. En, ook belangrijk: ze hadden, als ze ergens van verdacht werden, recht op een eerlijk proces. Paulus, die als Romeins burger was geboren, heeft van dit recht gebruik gemaakt. Trouwens, de vrouw van keizer Claudius maakte er een handeltje van: wie het Romeinse burgerschap wilde, kon dat van haar tegen een groot geldbedrag kopen (Hand. 22:25-29).
Stadhouders
In de Romeinse tijd was er een behoorlijke welvaart: de machthebbers zorgden onder andere voor de aanleg van wegen, bouwwerken een goede watervoorziening. Denk maar aan zo'n aquaduct, waarvan je er een op de foto ziet. Daar stond wel tegenover dat de Joden belasting aan de keizer moesten betalen (Mark. 12:14).
► Oud aquaduct bij Caesaréa
De provincies van het Romeinse Rijk werden bestuurd door stadhouders. Daarvan waren verschillende soorten. Over een provincie waar het vaak onrustig was, regeerde een legaat, die voor vijf jaar werd benoemd. Zo iemand was Cyrenius, die van 6 tot 11 na Chr. Syrië bestuurde. Daarentegen had Pilatus een lagere rang (hij was slechts prefect).
Vergissing?
In Luk. 2:2 lees je dat Cyrenius het bewind voerde (SV: “stadhouder was”) over Syrië in de tijd vóór Jezus’ geboorte. Méér dan tien jaar eerder dus. Velen beweren nu: dat was een vergissing van Lukas! Maar het woord dat hij hier gebruikt wijst op een ‘machthebber’ in het algemeen . Cyrenius was toen niet de werkelijke legaat, maar een hoge militair, die een opstand had helpen onderdrukken. Hij zal dan een taak hebben gehad bij het organiseren van de volkstelling in Judea (dat toen onder Syrië viel).