Oorlog en vrede


In Kanaän gekomen gingen de Israëlieten de afgoden dienen. God strafte hen door middel van onderdrukking door de omringende volken. Kanaänieten, Midianieten, Syriërs, Ammonieten en Filistijnen. Hij zond dan telkens een richter, die het volk moest verlossen. 

   David en Salomo   

Koning Saul had nog geen georganiseerd leger, al kon hij wel, als het nodig was, een flink aantal mannen bijeenroepen. Bij David was dat ook zo; hij wist daarmee zelfs zijn grondgebied behoorlijk uit te breiden. Ook had hij buitenlandse huursoldaten. We lezen namelijk in 2 Sam. 15:18 over Gethieten, afkomstig uit de Filistijnse stad Gath. Davids lijfwacht bestond waarschijnlijk ook uit Flilistijnen: de Krethi en de Plethi, onder leiding van Benaja. 

Een echt leger had pas Salomo. Hij regeerde in een tijd van welvaart. Door de handel was hij rijk genoeg geworden om een groot leger te onderhouden. Hij verzamelde 1400 wagens met ruiters, lezen we in 1 Kon. 10:26. Hij zorgde ook voor versterkte steden, om de wegen te beveiligen. Dit alles diende niet meteen om oorlog te voeren, maar als afschrikking tegen de vijand. Salomo staat immers bekend als “koning van de vrede”. 

   Het leger   

Hoe zag een leger er uit? Artillerie, zoals wij die kennen, had men natuurlijk nog niet. Of… je moet denken aan boogschutters, die de vijand met een regen van pijlen konden bestoken. Boogschutters stonden vaak achter een groot schild, dat door een andere soldaat werd vastgehouden.
In de tijd van koning Uzzia had men ook al iets dat lijkt op een katapult, waarmee stenen konden worden weggeschoten (2 Kron. 26:15). 

Veel belangrijker was de infanterie, het voetvolk. Het schild dat de soldaten droegen was meestal gemaakt van hout, overtrokken met leer. Dit moest regelmatig worden bestreken met olie, om barsten te voorkomen (Jes. 21:5). Ook was beschermende kleding nodig, zoals een harnas of een maliënkolder. Van die laatste lees je in 2 Sam. 1:9. Dat was een soort ‘vest’ met metalen schubben, die over elkaar heen vielen. Waarschijnlijk hebben de Israëlieten een beetje de ‘mode’ gevolgd van het Assyrische leger, waarvan ze erg onder de indruk waren.

   Wapens   

Een zwaard werd, om het snel te kunnen grijpen, aan de linkerkant van het lichaam gedragen, behalve door een soldaat die links was. Zoals we dat ook lezen van de richter Ehud (Rich. 3:16). Een speer was om mee te werpen, de lans werd meer gebruikt in de strijd van man tegen man.

Een geducht wapen was de slinger. In een zakje werd een flinke steen (soms wel van 5 cm) gelegd. Die kon na het wegslingeren flinke schade aanrichten. De koning van de Moabieten was er in elk geval erg bang voor (2 Kon. 3:25). Bijzonder waren de 700 slingeraars uit de stam Benjamin. Zij waren linkshandig en konden hun doel met uiterste precisie raken (Rich. 20:16).


► Jeruzalem ingenomen   beeld: FreeBibleimages

Bij de belegering van een stad waren de stormrammen (“muurbrekers”, Ezech. 26:9) gevreesd. De vijand legde vaak een schuin oplopende dijk tegen de stad aan. Daarop schoven ze belegeringstorens, die vol zaten met boogschutters. De verdedigers probeerden deze gevaartes (vaak van hout en leer) in brand te steken. Was de stad niet meer te houden, dan beklom de vijand de muren met stormladders. Het lot van de bewoners was vaak vreselijk. Vooral de Assyrische legers waren berucht om hun bijzondere wreedheid: velen werden gemarteld of gedood.

Ook Jeruzalem heeft te maken gehad met belegering. De Babyloniërs slaagden er tenslotte in om de stad te veroveren. Na een ernstige hongersnood moesten de Joden het onderspit delven. Stad en tempel werden verwoest; velen werden weggevoerd naar Babel.

   De Romeinen   

In het Nieuwe Testament had men te maken met de Romeinse strijdmacht. Deze was opgedeeld in legioenen. En deze weer in cohorten. Elke provincie had vaak een eigen cohort (SV: “bende”). Deze hadden een nummer of een naam.  Van Cornelius lees je dat hij een hoofdman over honderd (centurio) was uit het Italiaanse cohort (Hand. 10:1). Het Romeinse leger bestond vooral uit beroepsmilitairen; ze dienden wel 20 jaar of nog langer. Ze hadden een heel goed salaris. Maar hun gedrag liet wel eens te wensen over (Luk. 3:14).

De opdracht van God is om de vrede te zoeken. Vrede is niet alleen: het ontbreken van oorlog. De Bijbel wijst er op dat het pas goed is als we vrede hebben met God en onze naaste.