Huishouden
In het huis, of het nu eenvoudig was of gerieflijk: er moest
van alles gebeuren. In een ‘doorsnee’ Joods gezin kwamen de meeste taken neer op
de moeder en de dochters. We gaan een dagje ‘meelopen’.
Veel te doen
Wil je een doorkijkje in de bezigheden in het gezin, zoek dan eens Spreuken 31 op. Daar lees je over het werk van de “deugdelijke huisvrouw”. Dat is geen deugdzáme vrouw (zoals men wel eens beweert), maar: een vrouw, die van aanpakken weet. Dus zoals wij ook spreken over een 'deugdelijke' wasmachine - een apparaat waar je op aankunt! En er was in de Bijbelse tijd héél veel in de huishouding te doen…
Je leest in vers 15: “Ze staat op als het nog nacht is”. Geen wonder: in de Bijbelse landen kon het immers overdag erg heet worden. Ook ging men op tijd naar bed. Het werk van de vrouw was niet alleen om het gezin van eten voorzien, maar ook van inkomsten. Met de molen maalde ze tarwe of gerst. Daarvan werd brood in de oven gebakken. Maar ook was ze bezig met spinnen en weven voor de eigen kleding. Of om er bij de verkoop winst mee te maken.
Taakverdeling
De lampen hadden behoefte aan nieuwe olie. Het vuur moest, met het oog op de bereiding van het eten,
worden aangeblazen. En de vloer
moest schoongemaakt worden. Dat laatste was in de eenvoudige woning nog het meest nodig, omdat ook de
dieren er bivakkeerden. Zeker zullen de dochters daarbij geholpen hebben.
En men moest ook nog naar de markt om levensmiddelen in te slaan.
Als er een kudde was, dan moest een van de jongere zonen op
de dieren passen (denk maar aan David, 1 Sam. 16).
Hitte
Water was ook nodig, zeker in zo'n warm klimaat. Dit werd, meestal door de oudere dochters, uit een bron of put gehaald. We lezen dat van Rebekka, die de knecht van Abraham bij een waterbron ontmoette (Gen. 24:15). Om de grootste hitte te ontlopen, werd dit aan het begin of aan het einde van de dag gedaan. Op de afbeelding is dat ook te zien: de lange schaduwen vertellen dat de zon laag aan de hemel staat.
► Rebekka bij de bron beeld: www.gospelimages.nl
In de heetste uren werd het werk een tijdje stilgelegd. Je moest dan wel even tot rust komen. Abraham bijvoorbeeld zat toen in de opening van zijn tent (Gen. 18:1). Rijkere mensen hadden een groter huis; zij konden zich in een comfortabele ruimte terugtrekken. Denk daarbij maar aan de Moabitische koning Eglon (Rich. 3:20). Die had, zo lezen we, een "koele opperzaal".
Wassen en baden
En hoe stond het met de hygiëne? Kleren kon men wassen in een rivier of in een beekje. Echte zeep, zoals wij die kennen, hadden de Israëlieten niet. Vaak gebruikte men een mengsel van plantenas met olie (een soort ‘soda’). Om zichzelf te wassen was er niet veel beters. We lezen in Exodus 2 dat zelfs de dochter van Farao naar de rivier ging om zich te baden.