Dorp en stad


Toen de Israëlieten hun zwervend bestaan achter zich hadden gelaten vestigden zij zich in dorpen en steden. In een dorp vind je geen bescherming door middel van een wal of een muur.

In Kanaän kwam het volk Israël sterke steden tegen, die ze niet allemaal hebben kunnen veroveren. Die steden deden wel denken aan een kasteel of burcht. Omdat ze bijna altijd op een heuveltop lagen, hadden ze een onregelmatige omtrek.

   Oppervlakte   

De Israëlieten bouwden hun eigen steden vaak op de plaats waar de Kanaänitische steden hadden gelegen. Ze hadden, na hun lange woestijnreis, nog weinig ervaring met het bouwen van huizen en steden. Dus als ze nieuwe bouwden was dat ongeveer in de stijl die ze kenden. Het komt erop neer dat de bouwkwaliteit (tot nog in de tijd van de koningen toe) veel minder goed was dan in de omliggende landen.

En maak je geen overdreven voorstelling van de grootte van een stad in de Bijbelse tijd! De stad Babylon was, qua oppervlakte, ongeveer even groot als het tegenwoordige Nunspeet! En dan waren er binnen de muren ook nog weiden en andere open plekken. Een stad die destijds de grootste ter wereld was! De beroemde stad Megiddo, die door Salomo werd versterkt, was een stuk kleiner. Die paste daar wel 100 keer in!

   Stadspoort   

De poort van een stad was een kwetsbare plek. Als de vijand die in bezit had genomen, was de stad verloren (Gen 22:17). Extra verdedigingswerken, zoals uitkijktorens, waren dus geen overbodige luxe. Bij de genoemde stad Megiddo was de poort enorm versterkt. Van koning Uzzia weten we dat hij bij de muren van Jeruzalem de nodige voorzorgsmaatregelen nam (2 Kron. 26:9-15).

Nog betere bescherming gaf het aanleggen van een bocht tussen de buitenste en de binnenste stadspoort. Een naderende vijand moest dus een draai maken en gaf dan zijn kwetsbare rechterzijde (zonder schild) even bloot. Zodat hij kon worden aangevallen.


► Megiddo - restanten stadspoort   beeld: Zeller Zalmanson

De muren in de poort gaven ook wel zoveel schaduw dat mensen er konden uitrusten. Ook werden er vergaderingen en rechtszaken gehouden; de oudsten van de stad kwamen er bijeen (Ruth 4:1-2).

Meestal niet ver van de poort was de markt. Dorpelingen kwamen hier hun koopwaar aanbieden. Je zag er kraampjes, kooplieden en de onvermijdelijke bedelaars. Bijna zeker was er elke dag markt, omdat men in het warme klimaat de producten niet goed kon koelen. In grotere steden kon je ook ‘winkelstraten’ vinden. In de tijd van Jeremia was er in Jeruzalem een Bakkersstraat (Jer. 37:21).

   Ongezond   

In de Bijbel lees je ook over “voorsteden” (Num. 35:2-3). Dat was een gebied rondom de stad, waar het vee graasde en ook landarbeid werd verricht. In de zomer was daar heel wat werk te doen. Veel mensen brachten daar dan ook een groot deel van het jaar door. En wees eerlijk: er zal in de warme maanden in de stad niet zo’n gezonde atmosfeer hebben geheerst. Er waren geen grote open ruimtes (pleinen), de huizen stonden dicht opeen. Fatsoenlijke straten waren er nauwelijks, het was er vaak onhygiënisch.

Het was dus geen wonder dat vooraanstaande mensen een huis buiten de stad lieten bouwen. Koning Jojakim had een schitterend paleis met “doorluchtige opperzalen”, waar tenminste de frisse lucht naar binnen kon (Jer. 22:14). Maar de gewone man kon zoiets niet betalen.