Werk in de bouw


We kennen wel de gelijkenis van de wijze en de dwaze bouwer (Matth. 7). Het was in het oude Oosten heel belangrijk dat een bouwwerk een stevige basis had. Bij een huis zorgde men eerst voor een fundering van zware rotsblokken. Of men bouwde rechtstreeks op de vaste rotsbodem. Zodat men er zeker van was dat het huis niet meer zakken kon. Dan pas konden de muren erop.

   Steengroeve   

Er werd veel gewerkt met kalksteen. Wanneer deze uit de groeve werd gehaald, was ze nog redelijk zacht. Dus gemakkelijk te bewerken met een houweel. Men kon ze dus al meteen op ongeveer de gewenste afmeting hakken. Later, als de steen aan de lucht was blootgesteld, trad verharding op. Bij de bouw van de tempel van Salomo werd ook op die manier gewerkt (1 Kon. 6:7).

Een grote steengroeve was er in de buurt van de tempel in Jeruzalem. De prachtige ivoorkleurige steen die hieruit werd gehakt is waarschijnlijk gebruikt bij de bouw van de tweede tempel, in de tijd van Herodes. Belangrijke gebouwen werden zo gemaakt, maar voor de gewone man was dat niet weggelegd. Die moesten het doen met huizen van kleisteen. Steen werd verder ook gebruikt bij het maken van straten, putten en regenbakken.

   Metselaars   

Vooral de Feniciërs waren bekwaam in het werken met steen. David maakte daarvan dankbaar gebruik, via contacten met koning Hiram van Tyrus. Deze stuurde hem, volgens 2 Sam. 5:11, ook metselaars om een huis voor David te maken. Zeker zullen deze buitenlanders de Joden wel wegwijs in het vak gemaakt hebben.
Specie (of mortel) werd bereid uit klei, leem en kalk. Nu moet je niet denken, dat die arbeiders altijd die specie gebruikten. Later, in de Romeinse tijd, lukte het vaak om de steenblokken heel precies op elkaar aan te laten sluiten. Je kon er dan nog geen punt van een mes tussen krijgen!

Men wilde ook graag dat de muren recht gebouwd werden. Daarvoor gebruikte men een zogeheten paslood. In Zach. 4:10 wordt dit het “tinnen gewicht” genoemd. Dat hing aan een draad, zodat elke afwijking meteen opviel. Andere instrumenten van de metselaar waren: meetsnoer, hamer, bijl en zaag.

   Timmeren   

Hout werd ook wel gecombineerd met steen, zoals we ook weten van de eerste tempel (1 Kon. 6:36). Cederhout uit Libanon was erg gewild: hout waarvan je grote stukken kunt zagen, dat niet te zwaar is en weinig krimpt.
Getimmerd werd er ook. De omgeving van de Jordaan was welig begroeid – de leerlingen van Elisa haalden daar wel timmerhout vandaan (2 Kon. 6:2). En in Jes. 44 kun je lezen over arbeiders die uit hout een godenbeeld maken.

Maar Palestina was, zeker in de periode van het Nieuwe Testament, nu niet bepaald een land met veel bomen. Timmerwerk zal dan, denkt men, ook niet aan de orde van de dag zijn geweest. Afgezien natuurlijk van de bouw van de villa’s van de rijken…

   Bouwactiviteit   

Maar Jozef dan?, zul je vragen. En ook Jezus Zelf wordt toch door de mensen “de timmerman” genoemd (Mark. 6:3)? Maar het Griekse woord tekton, dat hier staat, heeft de algemene betekenis van ‘ambachtsman’. Dus iemand die kon werken in hout, steen of metaal. Rond het begin van onze jaartelling was er in de omgeving van Nazareth veel bouwactiviteit. Vooral veel vakmensen waren nodig voor de herbouw van Tzippori, de hoofdstad van Galilea. De grote trots van Herodes, de viervorst. Die stad lag maar zo’n zes kilometer van Nazareth vandaan. Waarschijnlijk is Jozef (die, evenals veel steenhouwers, uit Bethlehem kwam) daar ‘op karwei’ geweest.