Kinderen


In de Bijbelse tijd was het bezit van kinderen – en vooral zonen – een bijzonder voorrecht. Vrouwen die onvruchtbaar waren dachten soms dat er een vloek op hen rustte. En anders maakten de mensen in de omgeving (hoe wreed!) hun dat wel duidelijk. 

   Geboorte   

Bij de geboorte werd de baby grondig gewassen en afgewreven met zout. Daarna werd het kind in doeken gewonden. Eigenlijk was dit een meterslange zwachtel (van ca. 10 cm breed), die om het lichaampje was gewikkeld. Dat zou, dacht men, de groei ten goede komen. In Ezechiël 16:4 kun je al deze maatregelen lezen!
Op de achtste dag werd het kind – als het een jongetje was – besneden, als een teken van Gods verbond (zie Gen. 17). Daarbij werd de voorhuid verwijderd, een taak voor een arts of de vader van het kindje.

   Reiniging   

Na de geboorte van een zoon moest de moeder 40 dagen wachten voordat ze de gang naar de tabernakel of tempel mocht maken om een reinigingsoffer te brengen: een lam en een duif. Arme mensen mochten ook kiezen voor twee duiven, zoals we dat lezen van Jozef en Maria (Luk. 2:24). Was er een meisje geboren, dan moest de moeder 80 dagen wachten voordat ze de tempel weer mocht bezoeken. Dat lees je uitgebreid in Lev. 12.

   Naamgeving   

De naam van een jongetje werd gewoonlijk bij de besnijdenis bekendgemaakt. We weten dat van Johannes de Doper (Luk. 1:59) en Jezus (Luk. 2:21). Een meisje kreeg soms haar naam reeds op de eerste sabbat na de geboorte.

Welke namen werden gegeven? Het waren niet zozeer namen die “in de mode” waren, zoals tegenwoordig. De naam stond soms in verband met een bijzondere gebeurtenis.


► Ezau en Jakob met hun ouders   beeld: Distant Shores Media

Denk hierbij maar aan: Izak (= “lachen”), Jakob (= “hiel”) of Ezau (= ”behaard”). Je kon het kind ook naar een dier noemen. Dat was het geval met Debora (= “bij”), Rachel (= ooi”) en Kaleb (= “hond”).

   Religieuze namen   

Vaak vinden we een naam met daarin een verwijzing naar God. Zo'n naam herken je aan het woorddeel “el”, “ia” of “ja”. Een kleine opsomming:

  • Elisa = Mijn God is Redder
  • Elimelech = God is Koning
  • Samuël = God heeft gehoord
  • Hizkia = God sterkt
  • Zedekia = God is mijn gerechtigheid
  • Zefanja = God beschermt

De moeder zorgde lange tijd voor het jonge kind. Het kon wel drie jaar duren voordat het kind van de borst af ging. Het werd dan “gespeend”. Voor de familie was dat een reden om feest te vieren. Dat lezen we in Gen. 21:8 van de kleine Izak.

   Zonen van Israël   

In de Bijbel worden vooral de zonen genoemd. Meisjes waren wel waardevol, bijvoorbeeld voor het werk in huis. Maar de nadruk lag op de zonen. Let er maar op: in de geslachtsregisters vinden we heel weinig namen van vrouwen.
Waar we lezen over het Joodse volk, staat er in het Hebreeuws meestal: “zonen van Israël”. En de profeet Ezechiël wordt steeds “Mensenzoon” genoemd. In het gezin konden de zoons helpen in het bedrijf, op de akker of in de wijngaard. Van Jezus lezen we ook dat hij het timmervak van Jozef had geleerd (Mark. 6:3). En ook bij de erfenis waren de zonen belangrijk.

Anderzijds: wanneer een zoon, na herhaalde waarschuwing, zich bleef misdragen konden zijn ouders hem voor het gerecht brengen, om gestenigd te worden (Deut. 21:18). Maar soms was er een 'lievelingszoon', die een voorkeursbehandeling kreeg. Wat weer de jaloezie opwekte van de broers, zoals in de geschiedenis van Jozef.

   Wist je dat...   

... er iemand in de Bijbel (waarschijnlijk) naar zijn opa is vernoemd? Kennelijk heeft generaal Abner een zoon gehad die hij Ner noemde. De naam Abner betekent namelijk: “vader van Ner”. En we lezen dat de vader van Abner óók Ner heeft geheten (1 Sam. 14:51).