Textielarbeid


In de Bijbel wordt hier en daar gesproken over het maken van kleren. Je leest over naaien (Ezech. 13:18), borduren (Ex. 26:36), spinnen (Matth. 6:28) en weven (Ex. 39:27).

   Stoffen   

Om welke stoffen ging het? Vooral worden genoemd: wol en linnen. Wol was afkomstig van geiten en schapen. Linnen kwam van de vlasplant, die door de vlijtige huisvrouw werd gebruikt (Spr. 31:13). Van het gebruik van katoen lezen we niet rechtstreeks in de Bijbel. Maar in Perzië kende men die plant wel: mogelijk wordt in Esth. 1:6 met het woord karpas (vertaald door: linnen) katoen bedoeld.

   Kleurstof   

Wol en vlas werden tot dunne draden gesponnen. Daarbij werden de vezels ‘in elkaar gedraaid’. Dat was licht werk en werd heel vaak door vrouwen gedaan. Wol kon gebruikt worden in de ‘natuurlijke’ kleur: meestal wit, soms beige of bruin. Om de wol een mooie witte kleur te geven moest deze terdege gewassen worden (Hoogl. 4:2).

De gesponnen draden konden in een kleurstof worden gedompeld, Je kon gebruik maken van bijvoorbeeld blauw, purper of scharlaken. Verf kwam natuurlijk niet uit de fabriek. Men moest het hebben van planten en dieren. Geel kon men verkrijgen uit amandelbladeren, de kleur rood uit een soort bladluis. Uit sommige zeeslakken kon men het ‘koninklijke’ purper bereiden. Het is bijna zeker dat de Israëlieten deze kleur niet zelf konden maken. Bovendien ging er een bijna ontelbare hoeveelheid slakken in één purperen mantel. Er zal dus wel een flink ‘prijskaartje’ aan hebben gehangen…

   Weven   

Uit deze draden werd een doek of een kleed geweven. Met een liggend weefgetouw, zoals men dat eerst had, kon je geen grote kleden maken: je armen waren gewoon te kort. Later waren er staande weefgetouwen, waar de arbeider omheen kon lopen. Daar had je wel een zware installatie voor nodig. Van Goliath lees je dat zijn spies zo fors was als een weversboom (1 Sam. 17:7).


► Traditioneel weven in Nazareth

In de woestijn was er veel werk aan de uitrusting van de tabernakel. Onder leiding van Bezaleël en Aholiab werkten bekwame Israëlieten aan het vervaardigen van de “gordijnen” (tentkleden) en de bedekking van de tabernakel. In Ex. 26 wordt dit allemaal precies beschreven. Het materiaal dat daarvoor nodig was hadden de Joden meegekregen bij de uittocht uit Egypte, zoals te lezen is in Ex. 3:22.

   Wol en linnen   

Met enkele schapen kon een boer zijn gezin al van kleding voorzien. En anders kon hij de overtollige wol verkopen aan handelaars of textielarbeiders. Onderzoek heeft uitgewezen dat in sommige steden dit werk als een soort ‘industrie’ werd beoefend. In 1 Kron. 4:21 wordt gesproken over “het huis van de linnenwerkers”. Blijkbaar een groep mensen die van textielarbeid hun beroep hadden gemaakt. Men heeft ook overblijfselen van ververijen gevonden.

De stengels van de vlasplant leverden de vezels, die nodig waren om linnen te maken. Dit was een grondstof voor de tabernakel en de priesterkleding. Ook hooggeplaatste mensen droegen vaak linnen kleding, We lezen dat van Jozef (Gen. 41:42) en van de rijke man in de gelijkenis (Luk. 16:19). In Spr. 7:16 is te lezen dat het fijnste vlas uit Egypte werd gehaald.

   Voller   

Een ander beroep, waarover je zijdelings in de Bijbel leest, is dat van de voller (of volder). Het was belangrijk dat het vuil uit de wollen stof werd verwijderd. Daarvoor waren allerlei reinigingsmiddelen. Ook werd de stof dichter gemaakt: door kloppen en stampen kon deze wel 10% krimpen. Daardoor was de kleding geschikter om te dragen. Jezus wijst er in Matth. 9:16 op dat je geen nieuw (ongevold) stuk stof op een oud kleed moet zetten. In Jes. 7:3 lezen we over het “vollersveld”, dus de plaats waar zo’n persoon zijn beroep uitoefende. Dat was vaak buiten de stadsmuur.