Akkerbouw
In het oude Israël was akkerbouw bijzonder belangrijk. Het
graan was nodig om brood te bereiden. De ‘gewone’ man besteedde een flink deel
van het jaar aan werk op het land.
Regenperiodes
Er moest wel voldoende neerslag zijn. In de
winter was dat wel het geval: in het najaar begonnen de ‘vroege regens’. In de
maanden december tot en met februari kon het ook nat zijn, vooral in het
noorden van het land. De ‘late’ (in de Bijbel staat vaak: “spade”) regen in het
voorjaar was nodig voor de rijping van het graan, dat in het najaar was
gezaaid.
Men probeerde water van de winterregens te verzamelen in bakken
of putten om de droge maanden (mei tot en met september) door te komen.
Ploegen en zaaien
Gerst en tarwe, twee belangrijke granen, werden veel verbouwd in de
kuststreek, in de vlakte van Jizreël en bij de Karmel. Vlak voor de eerste regen in het najaar werd er gezaaid,
nadat de grond was omgeploegd.
De Israëliet die de Wet wilde gehoorzamen, moest
wel rekening houden met de bepaling in Deut. 22:10. Daar staat dat het verboden
is om met een os en ezel tegelijk (zoals op de afbeelding) te ploegen. Dat kon een probleem zijn voor
een arme boer die niet twee ossen kon betalen. Na het zaaien werd er soms
opnieuw geploegd om het zaad goed in de grond te werken.
► Ploegen met een os en een ezel
In het voorjaar rijpte eerst de gerst, de tarwe volgde enkele weken later. Na het oogsten moest er eerst gedorst worden. De korenaren moesten immers gescheiden worden van de graankorrels. Dan kon door de scherpe hoeven van een dier, door bijvoorbeeld een os over het graan te laten lopen. Het beest vond dat zeker niet onaangenaam; het kon af en toe ‘een graantje meepikken’ (Hos. 10:11 en Deut. 25:4).
Dorsvloer
Wat ‘luxer’ was de dorsslede, een soort plank of balk, met scherpe punten aan de onderkant. Die werd door een os of ezel over het graan getrokken. Met extra effect als de boer op de slede ging staan.
Voor het dorsen was er een dorsvloer. Denk aan een iets hoger gelegen stuk (aangestampte) grond van zo’n 10 bij 10 meter. Het kon ook een rots zijn, zoals de dorsvloer van Arauna (2 Sam. 24:16), die bijna twee meter boven de omgeving uitstak. Dit werd gedaan omdat de dorsvloer meestal ook voor het wannen gebruikt werd. En daarvoor had je wat wind nodig, die op enkele meters hoogte wat sterker was.
Wannen
Na het dorsen kwam dus het wannen. Nu de aren waren
verwijderd, moest nog het koren van het kaf worden gescheiden. Met een
zogeheten wan, een soort schep met 5 of 7 tanden, werd het graan omhoog
geworpen. Door de wind werden stro en kaf weggeblazen, zodat de zwaardere
graankorrels neervielen.
Overdag, zeker in de middag, kon de wind wel eens vlagerig zijn. En dan zou ook een deel van het graan kunnen worden weggeblazen.
Daarom werd dit werk vaak in de avond verricht. Of zelfs in de nacht, zoals we
van Boaz lezen (Ruth 3:2).
Vervolgens kwam het zeven. De tussen het graan liggende steentjes werden daarmee verwijderd. Alles bij elkaar heel wat zware arbeid voor de landbouwer. Vergeet niet: de hele winter moest hij onkruid wieden, er konden perioden zijn van droogte. De groei kon bedreigd worden door ongedierte en plantenziekten (Amos 4:9).
Sabbatsjaar
Volgens de Wet (Lev. 25:1-7) mocht er in het zevende jaar niet gezaaid worden. Er volgde een sabbatsjaar. De bodem kon zich dan herstellen na zes jaar intensief gebruik. En kon een gebrek aan mineralen weer worden aangevuld. Maar heeft men zich van deze regel iets aangetrokken? Als we de teksten uit Lev. 26:34-35 en 2 Kron. 36:21 met elkaar vergelijken, dan hebben de Joden kennelijk 70 keer (dus in 490 jaar) geen sabbatsjaar gehouden. Waarom zij dan ook 70 jaar in ballingschap zijn gegaan. In Neh. 10:31 is te lezen dat dit gebruik daarna weer is ingesteld.