Het Voorhof
Het heiligdom van God in de woestijn moest afgescheiden
worden van het volk. De Israëlieten moesten goed weten dat er tussen de zondige
mens en de heilige God niet zomaar gemeenschap kan zijn.
De tabernakel werd gebouwd binnen een zogeheten “voorhof”. Dat is een omheinde ruimte, waarbinnen de tent van God een plaats zou krijgen. Dit voorhof had een lengte van 100 ellen en een breedte van 50 ellen. Nu is niet met zekerheid bekend hoe lang een el in die tijd is geweest. Maar we zullen er niet ver naast zitten als we uitgaan van een halve meter. We hebben het dus over een scheidingswand van 50 bij 25 meter.
De omheining
Deze wand was 5 ellen hoog, dus meer dan twee meter. De wand om het voorhof werd gedragen door 60 pilaren in koperen voeten, die op 2½ meter afstand van elkaar stonden. De Israëliet zag deze omheining als een echte ‘scheidingswand’, te hoog om er overheen te kunnen kijken. In Ex. 27 lees je uitgebreid hoe deze wand (Statenvertaling: “behangsel”) eruit moest zien. Hij werd gemaakt van wit, fijn samengevlochten (“getweernd”) linnen. In de Bijbel is wit veelal de kleur van heiligheid en zuiverheid. Denk maar aan de priesterkleding. En David vroeg in Psalm 51 om van zijn zonde gewassen te worden, zodat hij witter zal worden dan sneeuw. De witte omheining moest dus het volk als het ware zeggen: er kan niet zomaar contact zijn met de vlekkeloos heilige God, die de zonde haat.
Toegangspoort
Maar toch, als je goed kijkt: aan de oostkant is een opening, een poort waardoor je naar binnen kunt gaan. In de wand was een 10 meter brede onderbreking, een ingang, zou je kunnen zeggen. Dit stuk (SV: “deksel”), dat opzijgeschoven kon worden, was ook wit, maar met daarop geborduurd figuren (misschien bloemen?) in de kleuren hemelsblauw, purper en scharlaken. Dit deksel was ook vastgemaakt aan pilaren van sittimhout (acacia), overtrokken met goud. In de modeltekening hieronder krijg je er een indruk van. Duidelijk zijn in het midden de gouden pilaren te zien.
► Toegang tot het Voorhof beeld: FreeBibleimages
Het is opmerkelijk dat deze ‘deur’ zich bevond aan de oostkant van de omheining. Je moet dan toch wel denken aan Gen. 3:24. Daar staat dat God, na de zonde van Adam en Eva, aan de oostzijde van de hof van Eden engelen (cherubs) met een zwaard plaatste. De ingang van het paradijs bevond zich dus aan de oostkant. Er was van de mens uit geen enkele kans meer om tot God terug te keren. Maar door de genade van God is er een nieuwe weg geopend, door het lijden en sterven van Christus.
Verzoening
De genoemde kleuren zullen we nog wel vaker tegenkomen bij
de tabernakel. Het blauw is een verwijzing naar de hemel, purper en scharlaken zijn
bekend als koninklijke kleuren. Dat zijn echt kleuren die horen bij een machtige,
reine God, Die als Koning regeert. Telkens als een Israëliet deze toegangsdeur
ziet, wordt hij daaraan herinnerd. Als christenen mogen wij natuurlijk denken
aan de Heere Jezus. Hij is immers ook de zondeloze Middelaar, Die tegelijk ook waarachtig God is. Hij heeft van Zichzelf gezegd: “Ik
ben de Deur” en: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh. 10:9 en 14:6).
Dit moeten we steeds voor ogen houden. De inrichting van de tabernakel en de
offerdienst waren een beeld van de manier waarop de mens met God verzoend kan
worden. En wij geloven dat dit alleen mogelijk is door het werk van Jezus Christus.
In het voorhof bevonden zich verder nog: het brandofferaltaar (dicht bij de ingang) en het koperen wasvat. Buiten de omheining was het tentenkamp van de Israëlieten. Maar tussen het volk en het heiligdom waren Mozes, de priesters en de Levieten gelegerd. Deze waren dan als het ware een extra ‘bescherming’ om het Huis van God.